De zes elementen van de training

De zes elementen van de training

1. Balans
Met balans wordt bedoeld dat het paard zijn gewicht goed heeft verdeeld over alle vier de benen.

2. Soepelheid
Met soepelheid wordt de souplesse in het paardenlichaam bedoeld, zowel in zijn romp als in zijn ledematen. Mede door soepelheid kan het paard gemakkelijker de gewenste vorm aannemen.

3. Vorm
De vorm wordt bepaald door de lengtebuiging, het voorwaarts-neerwaarts gaan en het ondertreden, kortom, de LVO.
L: Hierbij moet het paard gelijkmatig gebogen zijn over de gehele wervelkolom, dus niet plaatselijk teveel of te weinig.
V: De neus van het paard moet zich ongeveer op boeghoogte bevinden. Op die manier zijn de oren van het paard ongeveer op schofthoogte. In deze positie bevindt het hoofd van het paard zich aan de loodlijn. De voorwaarts-neerwaartse tendens moet in balans zijn, anders belandt het paard op de voorhand.
O: Het paard moet zijn achterbeen onder het zwaartepunt plaatsen, niet ervoor, niet er voorbij, en niet teveel naar links of naar rechts.

4. Tempo
Met tempo wordt de snelheid bedoeld waarmee het paard zich voorwaarts begeeft. Het moet niet te snel zijn (overhaast), maar ook weer niet te langzaam (traag). Ieder paard heeft zijn eigen grondtempo, waarin hij zich beweegt. Het juiste tempo wordt bewerkstelligd door de ‘juiste’ energie.

5. Takt
Met takt wordt de regelmaat van de passen in elke gang bedoeld. Deze regelmaat bepaalt de zuiverheid van de takt. Elke gang kent zijn eigen takt.

6. Schwung
Schwung betekent dat het paard beweegt met een losgelaten, ontspannen rug, die mooi deint. De schwung wordt bepaald door de deining van de rug/ruggengraat. Alle bewegingen worden via de ruggengraat van achter naar voren getransporteerd. Hoe soepeler en losser deze beweegt, hoe meer schwung er is.
Ook hier geldt dat iedere gang zijn eigen schwung kent. Ook per paard kan de schwung enorm verschillen.